Veelgestelde vragen

Alles wat u altijd al wilde weten over passend onderwijs

Lees hier de antwoorden op de meest gestelde vragen over passend onderwijs.

Governance en verantwoording

Waarop let de inspectie bij toezicht op samenwerkingsverbanden?

Om de kwaliteit van het samenwerkingsverband te kunnen beoordelen, is het nodig:

  • te weten of leerlingen de ondersteuning krijgen waar zij recht op hebben;
  • zicht te hebben op de doelmatigheid van de bestuurlijke en organisatorische inrichting van de samenwerkingsverbanden;
  • te weten of de besteding van middelen rechtmatig en doelmatig is.

Bij een kwaliteitsonderzoek maakt de inspectie gebruik van een waarderingskader. De inspectie gebruikt drie kwaliteitsaspecten: 1. Resultaten 2. Management en organisatie 3. Kwaliteitszorg. Zie blz. 6 van het toezichtkader samenwerkingsverbanden.

Het toezicht is risicogestuurd. Als uit een risicoanalyse blijkt dat er signalen of aanwijzingen zijn dat het samenwerkingsverband onvoldoende kwaliteit levert, voert de inspectie een kwaliteitsonderzoek uit. Tijdens dat kwaliteitsonderzoek stelt de inspectie aan de hand van een waarderingskader vast of er tekortkomingen zijn. Voor de risicoanalyse hanteert de inspectie een risicomodel dat is gebaseerd op 6 parameters. Deze zijn ook te vinden in het toezichtkader samenwerkingsverbanden.

 

Hoe is het toezicht op de samenwerkingsverbanden passend onderwijs vormgegeven?

Voor het toezicht op de (kwaliteit van de) uitvoering van de taken richt elk samenwerkingsverband een vorm van intern toezicht in. Daarnaast houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op de kwaliteit van de samenwerkingsverbanden.

Intern toezicht:
Een samenwerkingsverband organiseert het interne toezicht op het bestuur. Doel hiervan is toezien op onder meer de naleving van de statuten, het financieel beheer en het bereiken van de doelen van het samenwerkingsverband.

Toezicht door inspectie:
Om de kwaliteit van het samenwerkingsverband te kunnen beoordelen, onderzoekt de onderwijsinspectie of de leerlingen de ondersteuning krijgen waar zij recht op hebben, de doelmatigheid van de bestuurlijke en organisatorische inrichting van de samenwerkingsverbanden en de besteding van middelen (is deze rechtmatig en doelmatig). Meer informatie over het toezicht en waarderingskader voor samenwerkingsverbanden vindt u in dit document.

Inpassing LWOO en PrO

Mag een leerling jonger dan 12 jaar instromen in praktijkonderwijs?

In uitzonderingsgevallen mag een leerling vanuit groep 7 doorstromen naar praktijkonderwijs wanneer de leerling 8 jaar basisonderwijs heeft gevolgd, wanneer de directeur van de po-school hiervoor een positief advies geeft. Meer informatie is te vinden in artikel 39 lid 4 van de WPO: “Leerlingen bij wie naar het oordeel van de directeur van de school de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd, verlaten aan het einde van het schooljaar de school, mits hierover met de ouders overeenstemming bestaat. In elk geval verlaten de leerlingen de school aan het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.” Een maatwerktraject (onderwijs op andere locatie) waarbij de leerling nog blijft ingeschreven op de po-school is ook een mogelijkheid.

Is het maken van een OPP voor een lwoo ook na 2020 niet verplicht?

Op dit moment is dat nog niet duidelijk. Het voornemen is om medio 2020 de landelijke criteria voor lwoo los te laten. De wetgeving is daarvoor nog in voorbereiding. Het is daardoor op dit moment nog niet duidelijk hoe het vervallen van de landelijke criteria in de relatie tot het OPP uit gaat pakken.

Blijft het bij een opting out lwoo, variant populatiebekostiging, mogelijk om een leerling op een later moment alsnog naar het praktijkonderwijs te laten gaan, op grond van de regeling bijzondere groepen?

Een leerling kan ook op basis van een OPP in aanmerking komen voor tlv pro, als een swv heeft gekozen voor opting out lwoo, variant populatiebekostiging.

Op grond van de regeling bijzonder groepen kunnen leerlingen met een tlv voor vso of een aanwijzing lwoo alsnog een tlv krijgen voor praktijkonderwijs, als blijkt dat het onderwijs- en ondersteuningsaanbod van pro toch beter aansluit bij de leerling. Bij populatiebekostiging worden er geen aanwijzingen lwoo meer afgegeven.

  • Als een samenwerkingsverband heeft gekozen voor een opting out lwoo waarbij er geen lwoo-indicaties worden afgegeven, worden er geen lwoo-leerlingen meer geïndiceerd.
  • Stel dat gedurende de loopbaan in het vmbo blijkt dat de leerling toch beter op z’n plek is in het praktijkonderwijs (onderwijs- en zorgaanbod pro sluiten beter aan), kan dan nog steeds een beroep worden gedaan op de regeling bijzondere groepen en een toelaatbaarheidsverklaring voor pro worden aangevraagd?
  • Er kan gebruik worden gemaakt van de regeling bijzondere groepen en een tlv voor pro worden aangevraagd, mits te leerling beschikt over een tlv voor het (v)so van een swv, aanwijzing tot lwoo heeft of een ontwikkelingsperspectief heeft. Dit is opgenomen in het inrichtingsbesluit WVO.
  • Verder klopt het dat als de leerling afkomstig is van het eerste leerjaar van een school voor voortgezet onderwijs, het bevoegd gezag een tlv voor pro kan aanvragen bij het swv. Als de leerling staat ingeschreven bij het pro (en dus een tlv pro heeft), bekostigt het swv de extra ondersteuning voor deze pro-leerling.

Voor de BRON-registratie geldt:

  • Scholen registreren de pro-leerling in BRON. Scholen hoeven hierbij geen tlv te uploaden bij DUO.
  • Het is niet toegestaan een leerling zonder tlv voor pro op de pro-school in te schrijven. Tenzij het gaat om een tijdelijke plaatsing (bijvoorbeeld wanneer een tlv voor pro wordt aangevraagd bij het swv, maar het besluit tot plaatsing uitblijft). De tijdelijke plaatsing moet kan pas na 10 weken na aanmelding bij de school worden gedaan (duur beslissing swv over tlv pro en eventueel bezwaar).
  • DUO maakt budget over naar de pro-school op grond van plaatsing van de pro-leerling (met pro-tlv) op de pro-school.

Mag een vmbo-school een leerling weigeren die schooladvies pro heeft? En heeft de vmbo-school dan zorgplicht?

Ja, de vmbo-school mag een leerling weigeren als de basisschool het advies praktijkonderwijs heeft gegeven, omdat het niveau vmbo niet haalbaar zal zijn. De vmbo-school heeft in deze situatie geen zorgplicht.

Hoe wordt het budget lichte ondersteuning voor het samenwerkingsverband berekend?

Dat leest u in het document ‘toelichting ondersteuningsbudget lichte ondersteuning’.
Wilt u meer informatie over de geldstromen en vastgestelde normbedragen, dan wijzen wij u graag op dit document.

Mag een vmbo-school een leerling met schooladvies vmbo weigeren, omdat de leerling een indicatie voor pro heeft gekregen?

Nee, dit mag niet. Als een leerling een vmbo-advies heeft gekregen van de basisschool, maar van de RVC een pro-indicatie krijgt, kan de leerling door de ouders op het vmbo worden aangemeld. In dat geval is het schooladvies leidend en laat de vmbo-school de leerling toe. De ouders kunnen er ook voor kiezen om de leerling op het pro aan te melden, waar de leerling eveneens toelaatbaar is. Als een leerling een pro-indicatie heeft, heeft de leerling een ondersteuningsbehoefte. Als de leerling wordt aangemeld bij een vmbo-school, heeft de school zorgplicht. De school kijkt dan of ze de juiste ondersteuning kan bieden, al dan niet met lwoo of een andere vorm van ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband. Als de leerling lwoo krijgt aangeboden, kan de school de leerling met een pro-indicatie inschrijven als lwoo-leerling. Daar hoeft geen aparte lwoo-indicatie voor te worden aangevraagd. Kan de school de leerling niet de juiste ondersteuning bieden, bijvoorbeeld omdat de school geen lwoo-licentie heeft, of de ondersteuningsbehoefte groter is dan de school kan bieden? Dan zorgt de school er in het kader van de zorgplicht voor dat de leerling op een andere passende plek binnen het samenwerkingsverband kan worden toegelaten.

Wat is de invloed van het schooladvies op de toelating tot lwoo?

De indicatiestelling voor lwoo staat los van het schooladvies. Sommige basisscholen geven het schooladvies ‘vmbo met lwoo’. Het tweede gedeelte van dit advies – ‘met lwoo’ – is geen onderdeel van het schooladvies. Het is een constatering over de ondersteuning die deze leerling naar verwachting nodig heeft na plaatsing op de betreffende schoolsoort. Het is dus niet zo dat het basisonderwijs bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor lwoo. Het vmbo-advies is wel leidend. Het uiteindelijke besluit over toewijzing van lwoo-bekostiging ligt bij het samenwerkingsverband.

Wat is de invloed van het schooladvies op de toelating tot pro?

Het schooladvies van de basisschool is leidend voor toelating tot het vmbo, havo en vwo. Het pro is uitgezonderd van het leidende karakter van het schooladvies, omdat er een indicatiestelling nodig is om toegelaten te worden tot het pro. Het is dus niet zo dat het basisonderwijs via het schooladvies bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor pro. Voor de toelating tot het pro geldt dezelfde werkwijze als voorheen. Het uiteindelijke besluit voor de toelating tot praktijkonderwijs ligt bij het samenwerkingsverband.

Is het mogelijk om vanaf januari 2018 te kiezen met opting out lwoo?

Ja, het is mogelijk om vanaf januari 2018 te kiezen voor opting out lwoo. Er moet dan opnieuw een aanvulling worden geschreven op het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan moet worden goedgekeurd door de ondersteuningsplanraad (OPR). Ook moet aan DUO worden gemeld welke scholen in aanmerking komen voor een lwoo-licentie. Ten slotte moet aan de onderwijsinspectie worden gemeld voor welke vorm van opting out lwoo het samenwerkingsverband heeft gekozen en moet het ondersteuningsplan worden opgestuurd.

 

Ondersteuning en arrangementen

Waarom zijn de regeling bekostiging EMB en het landelijk aanvraagformulier TLV ontwikkeld?

De regeling bekostiging EMB en het landelijk aanvraagformulier TLV zijn ontwikkeld op basis van moties en toezeggingen aan de Tweede Kamer door hebben de staatssecretarissen Dekker (OCW) en Van Rijn (VWS), maart 2015. Doel is om de knelpunten op te lossen die worden ervaren door ouders en vso-scholen die onderwijs verzorgen aan leerlingen met EMB.

Download de brief die de Dekker en Van Rijn naar de Tweede Kamer stuurden (PDF, 71 KB).

Voor welke leerlingen is het aanvraagformulier TLV en de richtlijn EMB bedoeld?

(V)so-scholen met leerlingen met een ernstige meervoudige beperking bedienen vaak een grote regio. Zij moeten daardoor bij verschillende samenwerkingsverbanden een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) aanvragen. Per samenwerkingsverband kunnen daarvoor andere regels en formulieren gelden. Om het aanvragen van een TLV makkelijker te maken hebben de PO-raad en de VO-raad één landelijk uniforme formulier ontwikkeld voor het aanvragen van een toelaatbaarheidsverklaring.

In eerste instantie is dit TLV-aanvraagformulier ontwikkeld voor EMB-leerlingen uit categorie A, maar kan ook worden gebruikt voor alle EMB-leerlingen (A, B en C). Het is geen wettelijke verplichting om gebruik te maken van het landelijke aanvraagformulier. De PO-raad en de VO-raad doen echter een dringend beroep op samenwerkingsverbanden om dit landelijk aanvraagformulier te gebruiken voor EMB-leerlingen.

Download het TLV-aanvraagformulier
Download de brief van de PO-Raad en de VO-raad

In de richtlijn EMB worden samenwerkingsverbanden geadviseerd om een toelaatbaarheidsverklaring voor alle EMB-leerlingen af te geven voor de gehele schoolperiode (een voor primair onderwijs en een voor voortgezet onderwijs). Deze leerlingen zijn immers langdurig aangewezen op extra ondersteuning in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Door een TLV af te geven voor de hele schoolperiode wordt de administratieve last voor ouders en (v)so-scholen verminderd.

  • SWV-PO wordt geadviseerd om eenmalig een tlv afgeven die geldig is gedurende het hele verblijf op het SO.
  • Bij de overstap van SO naar VSO moet opnieuw een tlv worden aangevraagd bij SWV-VO. SWV-VO wordt geadviseerd om een tlv af te geven die geldig is gedurende het hele verblijf op het VSO.

Download de richtlijn EMB (PO-Raad en VO-raad)

Komen alle EMB-leerlingen in aanmerking voor bekostigingscategorie hoog?

Nee. Het samenwerkingsverband bepaalt in welke bekostigingscategorie een leerling valt. De 3 categorieën werden in het verleden gebaseerd op de indicatie van de leerling:
• categorie laag: zmlk, lz, cluster 4 (lz = langdurig/chronisch ziek)
• categorie midden: lichamelijke beperking lg
• categorie hoog: meervoudig complex gehandicapt (mg; zmlk en lg)

Sinds 1 augustus 2014 is niet de stoornis/handicap van de leerling leidend maar het ontwikkelingsperspectief (OPP). In het OPP staat welke (hoeveelheid) ondersteuning een leerling nodig heeft. EMB-leerlingen uit categorie C vallen meestal onder bekostigingscategorie laag.

Wat houdt de regeling bekostiging EMB in en voor wie geldt deze regeling?

Voor januari 2015 konden scholen een beroep doen op de Regeling compensatiemiddelen AWBZ voor aanvullende zorg op school. Met de invoering van passend onderwijs zijn deze compensatiemiddelen, in totaal 10 miljoen euro, toegevoegd aan het ondersteuningsbudget van de samenwerkingsverbanden. Dit budget kan worden ingezet voor de extra zorg die EMB-leerlingen nodig hebben. Onder zorg wordt verstaan: begeleiding, persoonlijke verzorging en/of verpleging.

Omdat het gesprek tussen scholen en samenwerkingsverbanden over de inzet van extra zorg moeizaam verloopt, is de Regeling bekostiging EMB ingevoerd. Op basis van deze regeling kunnen (v)so scholen voor deze leerlingen die meer zorg nodig hebben dan geboden kan worden op basis van de onderwijsbekostiging, via een formulier bijzondere bekostiging aanvragen bij DUO. Het totale beschikbare budget van 5 miljoen euro wordt onttrokken aan de lumpsum van de samenwerkingsverbanden.

De regeling bekostiging EMB geldt uitsluitend voor EMB-leerlingen uit categorie A:
“leerlingen met een combinatie van een (zeer) ernstige verstandelijke beperking (IQ tot 35), een lichamelijke beperking en bijkomende stoornissen, voor wie naast extra ondersteuning in het onderwijs ook extra zorg nodig is, die op 1 oktober 2014 ingeschreven stond op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voor wie het bevoegd gezag bekostiging categorie 3 (hoog) ontvangt.”

Samenwerkingsverbanden behouden 5 miljoen euro, waaruit extra zorg op speciale en regulier scholen bekostigd kan worden. Scholen met EMB-leerlingen uit categorie B en C kunnen extra middelen aanvragen bij het samenwerkingsverband, aangezien deze leerlingen vaak extra zorg nodig hebben op school.

Over welke leerlingen gaat het wanneer we het over EMB hebben?

EMB-leerlingen zijn kinderen of jongeren met:

A. een laag ontwikkelingsperspectief ten gevolge van een ernstige verstandelijke beperking (IQ < 35), vaak met moeilijk te ‘lezen’ gedrag en ernstige sensomotorische problematiek (zoals ontbreken van spraak, bijna niet kunnen zitten/ staan), of
B. een matig tot lichte verstandelijke beperking (IQ tussen 35 en 70) en een grote zorgvraag ten gevolge van ernstige en complexe lichamelijke beperkingen, of
C. een matig tot lichte verstandelijke beperking (IQ tussen 35 en 70) in combinatie met moeilijk te reguleren gedragsproblematiek als gevolg van ernstige psychiatrische stoornissen.

Welke taken en verantwoordelijkheden hebben scholen, gemeenten en zorgaanbieders rondom dyslexie?

Scholen zijn verantwoordelijk voor het bieden van goed lees- en spellingonderwijs en voor de signalering en begeleiding van leerlingen met problemen op het gebied van technisch lezen en/of spellen. Als blijkt dat extra begeleiding van de leerling onvoldoende effect heeft, kan worden doorverwezen voor diagnostisch onderzoek.

De gemeente is verantwoordelijk voor de inkoop en toeleiding naar diagnostiek en behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie (EED) door zorgaanbieders.

Diagnostiek en behandeling van dyslexie wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde gz-psycholoog(BIG),  kinder- en jeugdpsycholoog(NIP) of orthopedagoog-generalist (NVO). Alleen leerlingen met een diagnose ernstige enkelvoudige dyslexie komen in aanmerking voor behandeling.

Ongeacht de uitkomst van het onderzoek blijft de school c.q. het samenwerkingsverband passend onderwijs verantwoordelijk voor ondersteuning en begeleiding voor alle kinderen met dyslexie. Voor docenten zijn er vier vakkaternen ontwikkeld met begeleidingsadviezen voor leerlingen: talen, exacte vakken, zaakvakken, praktijk- en creatieve vakken.

Meer informatie:

Moet een TLV-aanvraag worden ondertekend door ouders/voogd?

Nee, het is niet wettelijk verplicht dat ouders en/of voogd een TLV-aanvraag ondertekenen. Sommige scholen en samenwerkingsverbanden vragen dit wel van ouders. Dit is hun eigen beleid.

Uitgangspunt is dat de school met ouders bespreekt wat het ontwikkelingsperspectief is van de leerling, welke ondersteuning een leerling nodig heeft. Het is belangrijk dat de school uitlegt aan ouders waarom zij een tlv wil aanvragen voor het vso en dat ouders instemmen met de aanvraag.

Voor welke leerlingen moet een ontwikkelingsperspectief worden opgesteld? En welke informatie wordt beschreven in het ontwikkelingsperspectief?

Regulier VO

In het regulier voortgezet onderwijs moet voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een ontwikkelingsperspectief worden opgesteld, met uitzondering van de leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) volgen. In het ontwikkelingsperspectief (OPP) wordt ten minste de volgende informatie beschreven:

  • onderwijssoort (pro, vmbo-BB/KB/GL/TL, havo, vwo)
  • uitstroombestemming: naar welk vervolgonderwijs of naar welk soort arbeid wordt verwacht dat de leerling zal uitstromen?
  • begeleiding: welke begeleiding heeft de leerling nodig, en wie gaat deze begeleiding geven?
  • eventuele afwijkingen van het onderwijsprogramma(WVO art 26, Inrichtingsbesluit WVO art 15c, Besluit bekostiging WPO art 34)

Voortgezet speciaal onderwijs (VSO)

In het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) moet voor alle leerlingen een ontwikkelingsperspectief worden opgesteld. Het OPP bevat minimaal de volgende informatie:

  • uitstroomprofiel: vervolgonderwijs, arbeidsmarkt of dagbesteding
  • uitstroombestemming: informatie over naar welk vervolgonderwijs, naar welke soort arbeid of naar welke vorm van dagbesteding uitstroom van de leerling wordt verwacht
  • De onderbouwing bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling(WEC art. 41a, Onderwijskundig besluit WEC art 5)

Meer informatie: Handreiking ontwikkelingsperspectiefplan (OPP)
Zie ook de veelgestelde vragen op de website passendonderwijs.nl

 

Wat is een schoolondersteuningsprofiel?

In het schoolondersteuningsprofiel legt het schoolbestuur ten minste eenmaal per 4 jaar vast welke ondersteuning de school kan bieden aan leerlingen die dat nodig hebben. Ook wordt beschreven welke ambities de school voor de toekomst heeft. Dit profiel wordt opgesteld door leraren, schoolleiding en bestuur. Op basis van het profiel inventariseert de school welke expertise eventueel moet worden ontwikkeld en wat dat betekent voor de (scholing van) leraren.

Leraren en ouders hebben adviesrecht op het schoolondersteuningsprofiel via de medezeggenschapsraad van de school. Het samenwerkingsverband beoordeelt op basis van alle schoolondersteuningsprofielen of het een dekkend aanbod in de regio kan realiseren.

Wat is een ondersteuningsplan? En hoe wordt deze vastgesteld?

In het ondersteuningsplan legt het samenwerkingsverband vast hoe passend onderwijs in hun regio wordt vormgegeven. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar opgesteld. Het ondersteuningsplan is gebaseerd op de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen.

Inhoud van het ondersteuningsplan

In het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband VO-VSO worden de volgende onderdelen beschreven:

  • Welke basisondersteuning wordt geboden aan leerlingen op alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband;
  • De manier waarop het samenwerkingsverband een samenhangend geheel van voorzieningen organiseert voor extra ondersteuning binnen de scholen en/of bovenschools;
  • De procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) of het praktijkonderwijs (pro); de procedure en criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) en de duur van de ondersteuningstoewijzing LWOO;
  • De procedure en het beleid voor de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs voor leerlingen van wie de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen;
  • De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben;
  • De manier waarop het samenwerkingsverband ouders informeert over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders;
  • Financiën:
    – De procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, inclusief een meerjarenbegroting. Het gaat hierbij zowel om het budget voor zware ondersteuning als voor lichte ondersteuning.
    – De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen voor zware ondersteuning voor leerlingen die na de jaarlijkse teldatum van 1 oktober instromen in het (v)so, inclusief de afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen aan het samenwerkingsverband door scholen bij een ontoereikend budget voor zware ondersteuning.
    – De voorwaarden die worden gelden voor scholen om in aanmerking te komen voor een LWOO-licentie en daarmee voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.

Vaststelling ondersteuningsplan

Voordat het plan kan worden vastgesteld, voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n). Ook moet de ondersteuningsplanraad (OPR) instemmen met het ondersteuningsplan.

Wat houdt zorgplicht in?

Met de invoering van passend onderwijs hebben scholen zorgplicht gekregen. Dat betekent dat als ouders hun zoon of dochter schriftelijk aanmelden bij een school naar keuze, deze school er voor verantwoordelijk is om de leerling een passende onderwijsplek te bieden. Als een leerling op meerdere scholen wordt aangemeld, wordt aan ouders gevraagd welke school hun voorkeur heeft. Deze voorkeurschool krijgt zorgplicht.

Bij de aanmelding geven ouders aan of zij verwachten dat hun kind extra ondersteuning nodig heeft. De school is verplicht om te onderzoeken welke ondersteuning de leerling nodig heeft en om te bepalen of de school deze ondersteuning kan bieden. Als de school de benodigde ondersteuning niet zelf kan bieden, is zij verplicht om in overleg met ouders te zoeken naar een passende plek binnen het samenwerkingsverband.

Na aanmelding heeft de school 6 weken de tijd om te beslissen over de toelating van de leerling. Deze periode kan eenmaal met 4 weken worden verlengd. Als er na 10 weken nog geen besluit is genomen over de toelating van een jongere, dan heeft hij of zij recht op een tijdelijke plaatsing op de school van aanmelding. De inschrijving is geldig tot het besluit over toelating is genomen.

Het ministerie van OCW heeft stroomschema’s ontworpen voor 4 situaties. Deze stroomschema’s laten zien welke procedures een school moet doorlopen als een leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft.

Belangrijk:

  • Een school heeft ook zorgplicht als ouders hun zoon/dochter aanmelden, terwijl de leerling al is ingeschreven op een andere school. Dit komt bijvoorbeeld voor als ouders ontevreden zijn over de ondersteuning die wordt geboden door de school waar hun zoon/dochter is ingeschreven en onderwijs volgt.
  • De zorgplicht houdt ook in dat een school een leerling pas mag verwijderen als een andere school bereid is gevonden die leerling toe te laten. Zo wordt voorkomen dat een leerling tussen wal en schip valt.

Onderwijs, gemeente en jeugdzorg

Waar kunnen schoolbesturen, samenwerkingsverbanden en gemeenten terecht bij onderlinge geschillen?

Samenwerkingsverbanden moeten in hun statuten een voorziening opnemen voor de beslechting van geschillen binnen het samenwerkingsverband. Het gaat om geschillen tussen de besturen die deelnemen aan het samenwerkingsverband of tussen een of meer schoolbesturen en het bestuur van het samenwerkingsverband. De overheid stimuleert daarbij aansluiting bij de Landelijke Arbitragecommissie Samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Voor het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) tussen samenwerkingsverbanden en gemeente(n) over het ondersteuningsplan is een modelprocedure OOGO opgesteld en een modelovereenkomst om die procedure van toepassing te verklaring. In deze modelprocedure OOGO wordt ook beschreven hoe te handelen bij een geschil tussen deelnemende partijen. Bij een geschil kunnen gemeenten en samenwerkingsverbanden terecht bij de geschillencommissie oogo-ondersteuningsplan of de geschillencommissie oogo-jeugdplan.

Meer informatie op Onderwijsgeschillen, een onafhankelijke organisatie die de behandeling van geschillen, bezwaren, beroepen en klachten in het onderwijs organiseert.)

Wat houdt het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) in?

Afstemming beleid samenwerkingsverbanden en gemeenten

Jongeren met een extra ondersteuningsbehoefte in het onderwijs hebben soms ook zorg, jeugdhulp of begeleiding naar een plaats op de arbeidsmarkt nodig. Gemeenten spelen daarbij een belangrijke rol. Vanaf januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp, bevordering van participatie en maatschappelijke ondersteuning (wmo). Om te zorgen voor zo goed mogelijke samenwerking tussen professionals die met jongeren werken, stemmen samenwerkingsverbanden en gemeenten hun beleidsplannen af. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht, het leerlingenvervoer, de onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Onderwerpen die relevant zijn voor scholen.

Samenwerkingsverband en gemeenten voeren daarom Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) over het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband en over de voor het onderwijs relevante onderdelen van het beleidsplan jeugd van de gemeente(n).

OOGO ondersteuningsplan

De Wet passend onderwijs verplicht samenwerkingsverbanden om ten minste eenmaal in de 4 jaar een ondersteuningsplan op te stellen. Over het concept-ondersteuningsplan voeren de samenwerkingsverbanden op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n) in het gebied van het samenwerkingsverband. Doel hiervan is de ondersteuning aan jongeren zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.
De volgende thema’s kunnen in het overleg ter sprake komen:

  • Samenhang in de ondersteunings- en hulpstructuur voor jeugd en gezinnen, door scholen en gemeenten;
  • De overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs en van vmbo naar mbo;
  • Thuiszittende leerplichtige leerlingen (thuiszitters);
  • Leerlingenvervoer;
  • Onderwijshuisvesting;
  • Aansluiting onderwijs op de arbeidsmarkt.

OOGO jeugd

Ook voor gemeenten is goede afstemming en samenwerking met het onderwijs van belang nu ze vanaf 1 januari 2015 verantwoordelijk zijn voor alle ondersteuning, hulp en zorg aan kinderen, jongeren en opvoeders. De school zorgt voor onderwijsondersteuning, de gemeente voor extra zorg voor kind en gezin waar dat nodig is. Door de inzet van onderwijsondersteuning en zorg af te stemmen, kunnen onderwijs en gemeenten wel een integraal aanbod bieden dat uitgaat van 1 kind, 1 gezin, 1 plan.
Volgens de nieuwe Jeugdwet moeten samenwerkingsverbanden en gemeenten op overeenstemming gericht overleg (OOGO) voeren over het conceptjeugdplan, voor zover dit het onderwijs raakt. Pas daarna kan het beleidsplan definitief door de gemeenteraad worden vastgesteld. De vorm en invulling van het OOGO jeugd zijn niet voorgeschreven in de Jeugdwet. Samenwerkingsverbanden en gemeenten kunnen hier zelf invulling aan geven.

Meer informatie

Passend onderwijs in de school

Waar kunnen ouders en school terecht voor advies over onderwijszorgarrangementen?

Soms heeft een leerling naast onderwijsondersteuning ook begeleiding, persoonlijke, verzorging en/of  verpleging nodig tijdens de onderwijsuren. De handreiking onderwijs en zorg is bedoeld als hulpmiddel voor ouders en scholen bij het voeren van gesprekken over de benodigde zorg in het onderwijs. Download hier de handreiking.

Onderwijszorgconsulenten:
Vanaf het schooljaar 2015-2016 zijn er onderwijszorgconsulenten beschikbaar voor ouders en scholen die problemen ervaren bij het ontwikkelen van een onderwijszorgarrangement voor een individuele leerling en daar samen niet uitkomen. Het gaat om leerlingen voor wie zorg op school voorwaardelijk is voor het kunnen volgen van onderwijs.

Meer informatie: www.onderwijsconsulenten.nl/advies/onderwijszorgconsulenten/

Wat kunnen ouders en school doen als zij het oneens zijn over de toelating en ondersteuning van een leerling en bij schorsing of verwijdering?

Gesprek ouders en school:
Als ouders het niet eens zijn met de toelating van hun zoon of dochter of ontevreden zijn over de ondersteuning van de leerling, dan is het belangrijk dat dit wordt besproken met de school. Als school en ouders het niet eens worden, kan het samenwerkingsverband worden gevraagd om mee te denken.

Onderwijsconsulenten:
Als school en ouders er samen niet uit komen, kan advies of bemiddeling worden gevraagd aan de onderwijsconsulenten. Onderwijsconsulenten zijn onafhankelijke deskundigen waar ouders en scholen kosteloos een beroep op kunnen doen. Zij zijn inzetbaar bij problematiek rond plaatsing, schorsing, verwijdering van leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Ook proberen onderwijsconsulenten oplossingen te vinden voor kinderen die langdurig thuiszitten zonder uitzicht op een onderwijsplaatsing. Onderwijsconsulenten hebben een oplossingsgerichte instelling. Het belang van het kind staat voorop.
Meer informatie: www.onderwijsconsulenten.nl

Bezwaarprocedure of geschillenprocedure:
Is er na het advies van de onderwijsconsulent nog geen oplossing, dan kunt u ook kiezen voor een bezwaarprocedure of wettelijke stappen.
Meer informatie: www.geschillenpassendonderwijs.nl

Heeft een school zorgplicht als ouders hun kind aanmelden, terwijl de leerling al is ingeschreven op een andere VO-school?

Ja. Als ouders hun kind (schriftelijk) aanmelden bij een school, moet die school bekijken of ze de leerling een passend onderwijs- en ondersteuningsaanbod kan bieden. Ook als de leerling al op een andere school onderwijs volgt. Dit komt bijvoorbeeld voor als ouders ontevreden zijn over het passend aanbod van de school waar hun kind al is ingeschreven.

Hoe is de medezeggenschap voor docenten, ouders en scholieren geregeld binnen passend onderwijs?

Docenten, ouders en scholieren kunnen invloed uitoefenen op passend onderwijs binnen een school en op het beleid van een samenwerkingsverband.

Medezeggenschap op school

Elke school heeft een medezeggenschapsraad (MR), waarin ouders, personeel en – in het voortgezet onderwijs – ook leerlingen zitten. De MR denkt actief mee over het beleid van de school. De MR van de school heeft adviesrecht op het vaststellen van het schoolondersteuningsprofiel. In dit profiel beschrijft de school welke ondersteuning de school kan bieden aan leerlingen en hoe deze ondersteuning is georganiseerd.

Medezeggenschap samenwerkingsverband

De ondersteuningsplanraad (OPR) is een speciale medezeggenschapsraad van een samenwerkingsverband. In de OPR zitten ouders, personeel en in het voortgezet onderwijs ook leerlingen. De leden van de OPR worden afgevaardigd door de MR van de scholen, maar, zij hoeven zelf niet in de MR te zitten.

De OPR heeft instemmingsrecht op het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. In dit plan staan onder meer de afspraken van het samenwerkingsverband over de basisondersteuning die alle scholen in het samenwerkingsverband bieden. Ook wordt beschreven welke leerlingen een plek kunnen krijgen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en hoe de verdeling van het geld is. Het ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar aangepast. De OPR moet dit plan goedkeuren voor het samenwerkingsverband het naar de Inspectie van het Onderwijs mag sturen.

Meer informatie

Hoe is het toezicht op passend onderwijs op schoolniveau vormgegeven?

Door de invoering van passend onderwijs hebben scholen een zorgplicht. Ook is het schoolbestuur verantwoordelijk voor de kwaliteit van onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op scholen. In de toezichtkaders VO en VSO wordt beschreven hoe de inspectie werkt, wat wordt beoordeelt en wanneer het onderwijs van voldoende kwaliteit is.

Elke school zal door de inspectie worden voorzien van een kwaliteitsprofiel. Een kwaliteitsprofiel laat op een aantal cruciale kwaliteitsgebieden zien welk niveau de school levert en waar verbeteringen mogelijk zijn.
De vijf kwaliteitsgebieden zijn:
1. onderwijsresultaten
2. onderwijsproces
3. schoolklimaat en veiligheid
4. kwaliteitsborging en ambities
5. financiën en materiële voorzieningen

Bekijk de Kamerbrief toezicht in transitie

Welke informatie over passend onderwijs is er voor ouders beschikbaar?

Steunpunt Passend Onderwijs van Balans

Het Steunpunt Passend Onderwijs van Balans geeft informatie over passend onderwijs aan ouders van leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte, zoals chronisch zieke of gehandicapte kinderen of kinderen met leer- en/of gedragsproblemen. Op hun website staat helder uitgelegd wat passend onderwijs inhoudt, waarom het nodig is en hoe het werkt. Ook de informatiegids voor ouders bevat veel informatie. Ouders kunnen bij dit steunpunt terecht met vragen rondom passend onderwijs via het telefoonnummer 0900-2020065.

Onderwijsconsulenten

Ook de onderwijsconsulenten hebben handige brochures gemaakt voor ouders:

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Ook op de website van het ministerie van OCW is veel informatie beschikbaar voor ouders.

 

Voor welke leerlingen moet een ontwikkelingsperspectief worden opgesteld? En welke informatie wordt beschreven in het ontwikkelingsperspectief?

Regulier VO

In het regulier voortgezet onderwijs moet voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een ontwikkelingsperspectief worden opgesteld, met uitzondering van de leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) volgen. In het ontwikkelingsperspectief (OPP) wordt ten minste de volgende informatie beschreven:

  • onderwijssoort (pro, vmbo-BB/KB/GL/TL, havo, vwo)
  • uitstroombestemming: naar welk vervolgonderwijs of naar welk soort arbeid wordt verwacht dat de leerling zal uitstromen?
  • begeleiding: welke begeleiding heeft de leerling nodig, en wie gaat deze begeleiding geven?
  • eventuele afwijkingen van het onderwijsprogramma(WVO art 26, Inrichtingsbesluit WVO art 15c, Besluit bekostiging WPO art 34)

Voortgezet speciaal onderwijs (VSO)

In het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) moet voor alle leerlingen een ontwikkelingsperspectief worden opgesteld. Het OPP bevat minimaal de volgende informatie:

  • uitstroomprofiel: vervolgonderwijs, arbeidsmarkt of dagbesteding
  • uitstroombestemming: informatie over naar welk vervolgonderwijs, naar welke soort arbeid of naar welke vorm van dagbesteding uitstroom van de leerling wordt verwacht
  • De onderbouwing bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling(WEC art. 41a, Onderwijskundig besluit WEC art 5)

Meer informatie: Handreiking ontwikkelingsperspectiefplan (OPP)
Zie ook de veelgestelde vragen op de website passendonderwijs.nl

 

Wat is een schoolondersteuningsprofiel?

In het schoolondersteuningsprofiel legt het schoolbestuur ten minste eenmaal per 4 jaar vast welke ondersteuning de school kan bieden aan leerlingen die dat nodig hebben. Ook wordt beschreven welke ambities de school voor de toekomst heeft. Dit profiel wordt opgesteld door leraren, schoolleiding en bestuur. Op basis van het profiel inventariseert de school welke expertise eventueel moet worden ontwikkeld en wat dat betekent voor de (scholing van) leraren.

Leraren en ouders hebben adviesrecht op het schoolondersteuningsprofiel via de medezeggenschapsraad van de school. Het samenwerkingsverband beoordeelt op basis van alle schoolondersteuningsprofielen of het een dekkend aanbod in de regio kan realiseren.

Wat is een ondersteuningsplan? En hoe wordt deze vastgesteld?

In het ondersteuningsplan legt het samenwerkingsverband vast hoe passend onderwijs in hun regio wordt vormgegeven. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar opgesteld. Het ondersteuningsplan is gebaseerd op de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen.

Inhoud van het ondersteuningsplan

In het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband VO-VSO worden de volgende onderdelen beschreven:

  • Welke basisondersteuning wordt geboden aan leerlingen op alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband;
  • De manier waarop het samenwerkingsverband een samenhangend geheel van voorzieningen organiseert voor extra ondersteuning binnen de scholen en/of bovenschools;
  • De procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) of het praktijkonderwijs (pro); de procedure en criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) en de duur van de ondersteuningstoewijzing LWOO;
  • De procedure en het beleid voor de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs voor leerlingen van wie de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen;
  • De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben;
  • De manier waarop het samenwerkingsverband ouders informeert over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders;
  • Financiën:
    – De procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, inclusief een meerjarenbegroting. Het gaat hierbij zowel om het budget voor zware ondersteuning als voor lichte ondersteuning.
    – De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen voor zware ondersteuning voor leerlingen die na de jaarlijkse teldatum van 1 oktober instromen in het (v)so, inclusief de afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen aan het samenwerkingsverband door scholen bij een ontoereikend budget voor zware ondersteuning.
    – De voorwaarden die worden gelden voor scholen om in aanmerking te komen voor een LWOO-licentie en daarmee voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.

Vaststelling ondersteuningsplan

Voordat het plan kan worden vastgesteld, voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n). Ook moet de ondersteuningsplanraad (OPR) instemmen met het ondersteuningsplan.

Waar moeten de samenwerkingsverbanden rekening mee houden bij het maken van plannen en afspraken over de financiën?

Het is belangrijk dat er een transparante samenhang is tussen de inhoudelijke plannen van het samenwerkingsverband en de inzet van de financiën. Een programmatisch opgebouwde begroting voorziet hier in. De begrotingsmodellen die de VO-raad faciliteert voorzien hier in.

Verder is het van belang te weten wat het financieel perspectief van het samenwerkingsverband is, krijgt men de komende jaren te maken met een positieve of met een negatieve verevening. Voorts is het noodzakelijk kennis te hebben van de overgangsregels in de bekostiging (bijvoorbeeld wettelijke verplichte herbesteding bij het VSO in het schooljaar 2015-2016.Van grote invloed op de daadwerkelijk beschikbare gelden zijn de afdrachten die het SWV moet doen aan de scholen voor VSO, LWOO en PRO. Het is belangrijk deze verplichte afdrachten goed te managen.

Tenslotte is het van groot belang dat het samenwerkingsverband het financieel management goed vorm geeft, zodat men ín control’ is. Zie voor veel meer informatie over bovenstaande vijf tips de ‘Handreiking bedrijfsvoering en financieel management SWV VO’ (link)

Wat houdt zorgplicht in?

Met de invoering van passend onderwijs hebben scholen zorgplicht gekregen. Dat betekent dat als ouders hun zoon of dochter schriftelijk aanmelden bij een school naar keuze, deze school er voor verantwoordelijk is om de leerling een passende onderwijsplek te bieden. Als een leerling op meerdere scholen wordt aangemeld, wordt aan ouders gevraagd welke school hun voorkeur heeft. Deze voorkeurschool krijgt zorgplicht.

Bij de aanmelding geven ouders aan of zij verwachten dat hun kind extra ondersteuning nodig heeft. De school is verplicht om te onderzoeken welke ondersteuning de leerling nodig heeft en om te bepalen of de school deze ondersteuning kan bieden. Als de school de benodigde ondersteuning niet zelf kan bieden, is zij verplicht om in overleg met ouders te zoeken naar een passende plek binnen het samenwerkingsverband.

Na aanmelding heeft de school 6 weken de tijd om te beslissen over de toelating van de leerling. Deze periode kan eenmaal met 4 weken worden verlengd. Als er na 10 weken nog geen besluit is genomen over de toelating van een jongere, dan heeft hij of zij recht op een tijdelijke plaatsing op de school van aanmelding. De inschrijving is geldig tot het besluit over toelating is genomen.

Het ministerie van OCW heeft stroomschema’s ontworpen voor 4 situaties. Deze stroomschema’s laten zien welke procedures een school moet doorlopen als een leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft.

Belangrijk:

  • Een school heeft ook zorgplicht als ouders hun zoon/dochter aanmelden, terwijl de leerling al is ingeschreven op een andere school. Dit komt bijvoorbeeld voor als ouders ontevreden zijn over de ondersteuning die wordt geboden door de school waar hun zoon/dochter is ingeschreven en onderwijs volgt.
  • De zorgplicht houdt ook in dat een school een leerling pas mag verwijderen als een andere school bereid is gevonden die leerling toe te laten. Zo wordt voorkomen dat een leerling tussen wal en schip valt.

Samenwerkingsverbanden VO

Welke documenten kan ik gebruiken bij het opzetten van een MRp van het samenwerkingsverband?

De landelijke onderwijs- en ouderorganisaties werken samen in het project Versterking medezeggenschap. Doel van dit project is om de medezeggenschap in het primair en voortgezet onderwijs te versterken en medezeggenschapsorganen, directies en besturen te ondersteunen. Vanuit dit project is de Handreiking oprichting Medezeggenschapsraad voor personeel gemaakt.

 

Hoe zit dat nou met de financiële verantwoording

Over de financiële verantwoording door samenwerkingsverbanden bestaan nog een aantal vragen. In dit document zijn de veel gestelde vragen opgenomen inclusief de antwoorden van OCW. Door
middel van deze Q&A wordt getracht meer duidelijkheid aan te brengen. Binnen de regelgeving over de jaarverslaglegging is ruimte om bepaalde bedragen op verschillende manieren te boeken. Het belangrijkste is hier dat het samenwerkingsverband kan uitleggen waarom gekozen is voor een bepaalde post én dat dit consistent is toegepast. Alleen op die manier kan gezorgd worden voor transparantie en inzicht in de rechtmatigheid van bestedingen.

Welke personele gevolgen heeft Passend Onderwijs? Wat houdt het Tripartiet akkoord in?

Op het niveau van het samenwerkingsverband moet tripartiet overleg worden gevoerd over de personele gevolgen van passend onderwijs. Dit zijn de PO-Raad, VO-raad, vakorganisaties en het ministerie van OCW overeengekomen in de Tripartiete overeenkomst personele gevolgen Passend Onderwijs.

Met de nieuwe wet passend onderwijs worden geldstromen verlegd van schoolbesturen (voortgezet) speciaal onderwijs, regionale expertise centra en regulier onderwijs naar de samenwerkingsverbanden. Ook de werkwijze binnen de samenwerkingsverbanden, waar schoolbesturen (v)so en regulier onderwijs samenwerken, verandert. Daardoor ontstaat er een nieuwe vraag vanuit de samenwerkingsverbanden met betrekking tot het personeel, zowel in termen van functies (ander werk), kwantiteit (aantal fte) als kwaliteit (competenties). Het perspectief van het personeel verandert afhankelijk van welke vraag er ontstaat op basis van het ondersteuningsplan. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de expertise behouden blijft.

In het ondersteuningsplan leggen de gezamenlijke schoolbesturen vast hoe de expertise behouden blijft ten behoeve van het dekkend aanbod. Op basis van het ondersteuningsplan wordt de vraag naar personeel geformuleerd (in welke functies blijft de expertise behouden en op welk bijbehorend functieniveau worden die functies gewaardeerd).

De schoolbesturen in het samenwerkingsverband hebben een gezamenlijke inspanningsplicht om verlies van expertise te voorkomen en daarmee ontslag van betrokken medewerkers zo veel als mogelijk te voorkomen. Over de personele gevolgen wordt vervolgens overleg gevoerd tussen het samenwerkingsverband, de betrokken besturen en de vakorganisaties.

Waar moeten de samenwerkingsverbanden rekening mee houden bij het maken van plannen en afspraken over de financiën?

Het is belangrijk dat er een transparante samenhang is tussen de inhoudelijke plannen van het samenwerkingsverband en de inzet van de financiën. Een programmatisch opgebouwde begroting voorziet hier in. De begrotingsmodellen die de VO-raad faciliteert voorzien hier in.

Verder is het van belang te weten wat het financieel perspectief van het samenwerkingsverband is, krijgt men de komende jaren te maken met een positieve of met een negatieve verevening. Voorts is het noodzakelijk kennis te hebben van de overgangsregels in de bekostiging (bijvoorbeeld wettelijke verplichte herbesteding bij het VSO in het schooljaar 2015-2016.Van grote invloed op de daadwerkelijk beschikbare gelden zijn de afdrachten die het SWV moet doen aan de scholen voor VSO, LWOO en PRO. Het is belangrijk deze verplichte afdrachten goed te managen.

Tenslotte is het van groot belang dat het samenwerkingsverband het financieel management goed vorm geeft, zodat men ín control’ is. Zie voor veel meer informatie over bovenstaande vijf tips de ‘Handreiking bedrijfsvoering en financieel management SWV VO’ (link)

Hoe verdelen de samenwerkingsverbanden de middelen?

De samenwerkingsverbanden zijn hier autonoom in. De wet biedt veel vrijheid. De keuzes die het samenwerkingsverband maakt worden vastgelegd in het Ondersteuningsplan (inclusief de meerjarenbegroting).

In beginsel zijn de budgetten die het samenwerkingsverband ontvangt een lumpsum, maar er zijn wel verplichte afdrachten voor leerlingen die het samenwerkingsverband verwezen heeft naar VSO, LWOO en PRO. En er zijn regels voor korting op het lumpsum budget van de schoolbesturen in (extreme) situaties waarin het samenwerkingsverband relatief erg veel leerlingen plaatst in het VSO of LWOO/PRO.

Zie voor veel meer informatie over bovenstaande de ‘Handreiking bedrijfsvoering en financieel management SWV VO

Wat zijn de taken van het samenwerkingsverband?

Het samenwerkingsverband (SWV) heeft een aantal wettelijke taken. De belangrijkste hiervan is het maken van een ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan legt het SWV vast hoe kinderen die extra ondersteuning nodig hebben een passende plek en passende begeleiding kunnen krijgen. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar opgesteld. Het ondersteuningsplan is gebaseerd op de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen. Ook staat er in het ondersteuningsplan welk niveau van basisondersteuning alle scholen in het SWV ten minste moeten bieden. Verder wordt beschreven hoe de middelen voor extra ondersteuning worden verdeeld over de scholen in het SWV. Het SWV heeft ook de taak om te beslissen of een leerling wordt toegelaten tot het VSO. Vanaf 1 januari 2016 zijnSWV’en ook verantwoordelijk voor de ondersteuningstoewijzing van lwoo en pro en voor de budgetten lichte ondersteuning.

Wat is de samenstelling van een samenwerkingsverband?

Om ervoor te zorgen dat alle kinderen een passende plek krijgen, hebben scholen regionale samenwerkingsverbanden (SWV’en) gevormd. In het voortgezet onderwijs bestaat het SWV uit het reguliere onderwijs (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo), en de scholen voor vso cluster 3 en 4
Sommige scholen bestaan uit meerdere vestigingen. Het bestuur van de school is voor alle vestigingen aangesloten bij het SWV waarin de vestigingen liggen. Het is dus mogelijk dat een schoolbestuur bij meerdere SWV’en is aangesloten.

Welke verantwoordelijkheden hebben samenwerkingsverbanden en scholen ten aanzien van passend onderwijs

Schoolbesturen en besturen van samenwerkingsverbanden hebben andere taken en daarmee ook andere verantwoordelijkheden. Zo is volgens de Wet passend onderwijs het samenwerkingsverband – en niet het schoolbestuur – verantwoordelijk voor een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen scholen en de verdeling van de ondersteuningsmiddelen. Maar de zorgplicht voor passend onderwijs ligt bij de school en bij het schoolbestuur en niet bij het samenwerkingsverband. Het schoolbestuur is dus verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs aan de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

Praktijkvoorbeelden

Praktijkvoorbeelden

Het is niet nodig om zelf opnieuw het wiel uit te vinden.
Laat u inspireren door onze praktijkvoorbeelden.

Filmpje passend onderwijs

Filmpje passend onderwijs

Bekijk het filmpje met daarin de kernboodschap van passend onderwijs, gemaakt in opdracht van de VO-raad, PO-Raad en VNG.

Organisaties passend onderwijs

Organisaties passend onderwijs

Alle organisaties die actief zijn op het gebied van passend onderwijs, compleet met hun ondersteuningsaanbod, overzichtelijk op een rij.